Bestuurder
Als je een andere weggebruiker (meestal een bestuurder) voorbij rijdt, noemen we dat ‘inhalen’.
 
Je moet voldoende overzicht over de situatie hebben, het juiste moment kunnen bepalen en gevaar of hinder tijdig opmerken. Er mogen voor, tijdens of na de inhaalmanoeuvre geen gevaarlijke situaties ontstaan. Er spelen veel factoren, zoals de snelheid van jezelf en die van de bestuurder die je wilt inhalen, jullie positie, de verkeerssituatie en de weers- en zichtomstandigheden.
 
Een moeilijk onderdeel van de inhaalmanoeuvre is het inschatten van snelheid. Je hebt te maken met de snelheid van het voertuig dat je wilt inhalen, de snelheid van een eventuele tegenligger en jouw eigen snelheid.
 

 

 
 

Aandachtspunten:

  • Tijdens een inhaalmanoeuvre mag je geen gevaar of hinder veroorzaken. Dat geldt ten opzichte van alle weggebruikers, dus zeker ook ten opzichte van een tegenligger die verderop nadert.
  • Sommige bestuurders hebben slecht uitzicht naar achteren, bijvoorbeeld vrachtauto’s en auto’s met een aanhangwagen. Je moet ervoor zorgen dat ook deze bestuurders je kunnen zien aankomen als je ze gaat inhalen. Pas jouw positie zo aan dat oogcontact mogelijk is. Op enkelbaanswegen moet je meer afstand houden, zodat je zichtbaar bent in hun spiegels. Op wegen met meerdere rijstroken moet je eerder links gaan rijden.
  • Inhalen gebeurt in principe links. Er zijn een aantal uitzonderingen. Je mag bijvoorbeeld rechts inhalen als een bestuurder links heeft voorgesorteerd en als je rechts van de blokmarkering rijdt. Ook trams mogen soms rechts worden ingehaald.

Op de volgende pagina staat de instructievideo over dit script.